'Die jochies zijn amper 10 en ze hebben op Koningsdag een hele stapel laptops te verkopen?'
In dit artikel:
In het Vondelpark schetst Sylvia Witteman een levendig Koningsdagtafereel: verlegen meisjes die viool spelen, stoerdere kinderen die popnummers playbacken, kleintjes met zelfgemaakte lekkernijen en overal ludieke protestobjecten gericht tegen de koning. Tussen die vrolijke chaos zit een tafereel dat het algemene feestelijke beeld relativeert: een zestigjarige man die zich ergert aan twee jongetjes die tweedehands laptops proberen te slijten, en de geruststellende reactie van de vrouw naast hem.
Dat gesprek ontspint zich tot een kleine levensgeschiedenis. De man, zachtmoedig en weemoedig, vertelt hoe hij als kind nooit echt meetelde tijdens Koninginnedag in zijn dorp. Zijn ouders — een vader die klassieke talen doceerde en een moeder die piano speelde — pasten niet bij de jongens die stoere dingen deden. Hij was verlegen en werd gepest om zijn gewicht. Vastbesloten om toch mee te doen aan de zeepkistenrace smeekte hij zijn vader om hulp; die vond een oude kinderwagen als basis. In plaats van triomf werd die kinderwagenbron van vernedering: hij moest het prachtexemplaar met kant en strikjes door het dorp duwen, tot spot en maandenlang pesterijen aan toe. De zeepkist lukte niet omdat zijn vader niet handig was, en de man hield er een bittere herinnering aan over.
Witteman plaatst hiermee een contrast: het zorgeloze ondernemerschap en de brutale creativiteit van kinderen op Koningsdag tegenover de blijvende littekens van uitsluiting die volwassenen soms met zich meedragen. De column raakt aan thema’s als sociale afkomst, verlegenheid en de wens om erbij te horen — en hoe kleine gemeenschapsrituelen zoals de zeepkistenrace zowel plezier als pijn kunnen voortbrengen.